Controleer het volgende voor u begint:
Microsoft .NET Framework 4.0 (volledige versie) of hoger is geïnstalleerd.
Het aanbevolen printerstuurprogramma is geïnstalleerd.
Active Directory is actief.
De computer waar LPMC op is geïnstalleerd is aangemeld bij een Active Directory-domein.
De beheerder is aangemeld bij een Active Directory-domein en heeft beheerdersrechten voor toegang tot het domein.
Lexmark Print Management Client (LPMC) is een softwarepakket dat wordt geïmplementeerd op clientsystemen in een domein om een veilige vrijgave van afdruktaken mogelijk te maken. LPMC legt afdruktaken vanuit de afdrukspool vast en codeert deze, indien nodig. Afdruktaken worden opgeslagen op de computer totdat deze worden vrijgegeven door een printer waarop Print Release is geactiveerd.
Verkrijg het installatiepakket van LPMC en sla het op de tijdelijke lokale schijf op.
Kopieer het configuratiebestand naar de map waarin u het installatiepakket hebt opgeslagen en pas dit aan, indien nodig. Zie Informatie over configuratiebestanden voor Windows-besturingssysteem voor meer informatie.
Doe het volgende om het pakket te installeren:
Vanuit de map waarin u het pakket hebt opgeslagen dubbelklikt u op het MSI-pakket.
Typ achter de opdrachtprompt .
Volg de instructies op het computerscherm.
Wanneer de installatie is voltooid, gaat u als volgt te werk:
Navigeer naar de map met programma's en onderdelen map van uw besturingssysteem.
Zoek Lexmark Print Management Client.
Typ achter de opdrachtprompt .
Controleer of de volgende services worden uitgevoerd:
Lexmark Print Capture Service
Lexmark Print Release Service
Wijs het aanbevolen printerstuurprogramma toe aan de LPMC-printerpoort. Voor meer informatie raadpleegt u Het printerstuurprogramma installeren en een afdrukwachtrij maken of neemt u contact op met de systeembeheerder.
Opmerkingen:
LPMC fungeert als een beveiligde server waarop verbindingen via het HTTPS-protocol worden geaccepteerd en tot stand worden gebracht. In LPMC is gegevenscodering toegestaan voor communicatie met het gewone netwerk. Om een SSL-verbinding te kunnen accepteren, maakt LPMC een beveiligd certificaat dat de identiteit van de server bevestigt en inzetbaar is als basis voor codering.
In elk certificaat wordt het onderwerp omschreven dat met het certificaat wordt aangeduid. Het werkstation waarop LPMC wordt uitgevoerd, wordt bijvoorbeeld gedefinieerd als "werkstation-naam", zoals , of het wordt aangeduid met een meer algemene naam, zoals . De gereserveerde benaming, , is een alias voor het netwerkadres 127.0.0.1.
Wanneer een certificaat is gemaakt, kunt u het toevoegen aan het werkstation zodat dit beschikbaar wordt voor alle gebruikers die zich aanmelden bij deze computer. LPMC verbindt eveneens een certificaat aan de juiste netwerkverbinding en gebruikt de poort die is gedefinieerd in het configuratiebestand.
Als de geconfigureerde poort na de installatie wordt gewijzigd, kan LPMC geen SSL-verbinding tot stand brengen. Om opnieuw verbinding te maken via een SSL, installeert u LPMC opnieuw, of verbindt u het certificaat handmatig opnieuw met het nieuwe poortnummer.
| Opmerking: Het maken en verbinden van het certificaat vindt plaats tijdens het installatieproces van LPMC. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
Het pad waar de logbestanden zijn opgeslagen. | ||
Als is ingesteld, worden de LPMC-gebeurtenissen geregistreerd. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
De poort waarnaar een opdracht wordt vrijgegeven vanaf de printer. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
De poort waarnaar een opdracht wordt vrijgegeven vanaf de printer. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
Het serveradres voor vrijgeven en bijhouden. | ||
De poort waarnaar een opdracht wordt vrijgegeven vanaf de printer. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
Als deze waarde is ingesteld op worden de verwijderde taken niet bijgehouden. | ||
Als deze waarde is ingesteld op worden de verwijderde taken door LPMC verzonden met behulp van de IntervalMode. | ||
De gegevens van de verwijderde taken worden na een opgegeven tijdsinterval verzonden. U kunt dit interval opgeven in minuten, uren, dagen of weken. Als IntervalMode is ingeschakeld, worden de gegevens van de verwijderde taken tijdelijk opgeslagen in c:\ProgramData\LPMC\DJTReport.xml. Wanneer het opgegeven interval is verstreken, worden de gegevens van de verwijderde taken verstuurd naar de rapportserver en wordt het DJTReport.xml-bestand verwijderd. | ||
Hiermee geeft u wanneer de gegevens van de verwijderde taken naar de rapportageserver moeten worden verzonden. : geef een waarde op die gelijk is aan of hoger is dan . : geef de waarde op in uren in de notatie UUMM. Het interval wordt elke dag geactiveerd op het ingestelde uur. U kunt meerdere instellingen opgeven voor . Deze instelling activeert meerdere keren per dag de Deleted Job Tracker. : bestaat uit de waarden en . : geef een waarde op van t/m , waarbij 'zondag' is en 'zaterdag'. : geef de waarde op in de notatie UUMM, waarbij het interval wordt geactiveerd op het ingestelde tijdstip. U kunt meerdere instellingen opgeven voor en . | ||
Bevat informatie over de rapportageserver waarop de gegevens van de verwijderde taken zijn opgeslagen. | ||
N.v.t. | Meer informatie over gegevens van verwijderde opdrachten. : de naam van de locatie vanwaar de opdracht is verzonden. |
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
Als deze instelling is ingesteld op kunnen de instellingen voor kleur, zijden, nieten, perforeren en het aantal exemplaren worden gewijzigd op het bedieningspaneel van de printer. Opmerkingen:
|
Instelling | Standaardwaarde | Beschrijving |
|---|---|---|
Als deze instelling is ingesteld op , dan worden de gebruikersmappen zonder afdruktaken en geldige gebruikerstokens automatisch verwijderd. |
<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<Configuration xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"
xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<Logger>
<LogFilePath>C:\ProgramData\LPMC\lpmc.log</LogFilePath>
<LoggingEnabled>false</LoggingEnabled>
</Logger>
<LPMServerlessADSettings>
<CaptureSettings>
<LoopbackPort>9167</LoopbackPort>
<PrintJobFileNameFormat>%d_%i.prn</PrintJobFileNameFormat>
</CaptureSettings>
<ClientSettings>
<PrintAndKeepLifespan>48</PrintAndKeepLifespan>
<UnprintedJobsLifespan>48</UnprintedJobsLifespan>
</ClientSettings>
<ReleaseSettings>
<EsfListenerPort>9443</EsfListenerPort>
</ReleaseSettings>
<ServerSettings>
<ActiveDirectoryUserProperty>otherLoginWorkstations</ActiveDirectoryUserProperty>
<ServiceAccountUsername></ServiceAccountUsername>
</ServerSettings>
<ADWriteSettings>
<ADWriteOption>AtPrintTime</ADWriteOption>
</ADWriteSettings>
</LPMServerlessADSettings>
<LPMServerlessSettings>
<CaptureSettings>
<LoopbackPort>9167</LoopbackPort>
<PrintJobFileNameFormat>%d_%i.prn</PrintJobFileNameFormat>
</CaptureSettings>
<ClientSettings>
<PrintAndKeepLifespan>48</PrintAndKeepLifespan>
<UnprintedJobsLifespan>48</UnprintedJobsLifespan>
</ClientSettings>
<ReleaseSettings>
<EsfListenerPort>9443</EsfListenerPort>
</ReleaseSettings>
<ServerSettings>
<ServerIP>api.iss.lexmark.com/lpm-gateway</ServerIP>
<ServerPort>443</ServerPort>
</ServerSettings>
<ServerAPISettings>
<APIVersion>2.0</APIVersion>
<IDPServerSettings>
<ServerIP>idp.iss.lexmark.com</ServerIP>
<ServerPort>443</ServerPort>
</IDPServerSettings>
</ServerAPISettings>
</LPMServerlessSettings>
<LPMServerSettings>
<CaptureSettings>
<LoopbackPort>9168</LoopbackPort>
<PrintJobFileNameFormat>%d_%i.prn</PrintJobFileNameFormat>
</CaptureSettings>
<ClientSettings>
</ClientSettings>
<ServerSettings>
<ServerIP>lsp.lexmark.com/lexmark</ServerIP>
<ServerPort>443</ServerPort>
</ServerSettings>
<IDPServerSettings>
<ServerIP>idp.iss.lexmark.com</ServerIP>
<ServerPort>443</ServerPort>
</IDPServerSettings>
</LPMServerSettings>
<DeleteJobTrackerSettings>
<TrackDeletedJob>true</TrackDeletedJob>
<SendImmediately>true</SendImmediately>
<IntervalMode>minutes</IntervalMode>
<SendInterval>
<Minutes>5</Minutes>
<Daily>1200</Daily>
<Daily>2300</Daily>
<Weekly>
<Day>2</Day>
<Day>3</Day>
<Day>4</Day>
<Day>5</Day>
<Day>6</Day>
<Hour>1000</Hour>
<Hour>1500</Hour>
</Weekly>
</SendInterval>
<ServerSettings>
<ServerIP>0.0.0.0</ServerIP>
<ServerPort>9780</ServerPort>
<ServerSSL>false</ServerSSL>
</ServerSettings>
<OtherSettings>
<SiteName></SiteName>
</OtherSettings>
</DeleteJobTrackerSettings>
<LateBindingSettings>
<LateBindingEnabled>false</LateBindingEnabled>
</LateBindingSettings>
<DeleteEmptyUserFolders>false</DeleteEmptyUserFolders>
</Configuration>Zorg ervoor dat u de PCL® XL- of UPD-bestanden voor uw besturingssysteem hebt gedownload.
Voer het installatiebestand uit vanaf uw computer.
Selecteer Uitpakken en schakel de optie Start de installatiesoftware uit.
Kopieer het pad naar de UPD-bestanden.
| Opmerking: Als u het pad wilt wijzigen, bladert u naar de map waarin u de UPD-bestanden wilt opslaan. |
Klik op Installeren en volg de aanwijzingen op het scherm.
Open de map Printers en klik op Printer toevoegen.
Selecteer in het dialoogvenster Wizard printer toevoegen Bestaande poort gebruiken.
Selecteer de LPMC-printerpoort in de lijst en klik vervolgens op Volgende.
Wanneer u wordt gevraagd of u de software wilt installeren, selecteert u Bladeren.
In het veld Bestanden van fabrikant kopiëren van plakt u de locatie van de UPD-bestanden of bladert u naar het INF-bestand voor het stuurprogramma.
Klik op OK > Volgende.
Selecteer Lexmark Universal v2 PS3 in de lijst en klik op Volgende.
Typ een beschrijvende naam voor de afdrukwachtrij, geef aan of de nieuwe afdrukwachtrij de standaardwachtrij is en deel de printer vervolgens.
Klik op Voltooien.