U kunt afdrukken of scannen met een netwerkprinter die is aangesloten op een lokaal of extern subnet.
Open de toepassing die u wilt gebruiken. U kunt het gedeelte voor netwerkselectie op twee manieren weergeven:
Toepassing | Procedure |
Lexmark Configuratie-assistent (tijdens installatie) |
|
Takencentrum |
|
Het gedeelte voor netwerkselectie verschijnt.
Selecteer een printer in het lokale subnet of op een extern subnet.
De toepassing zoekt naar ondersteunde printers in het netwerk of printers die zijn aangesloten op de computer.
Als u een bepaalde printer wilt selecteren op een extern subnet, voert u in het vak Zoeken op IP-adres het IP-adres van de afdrukserver in waarop de printer is aangesloten en drukt u op return. Raadpleeg de netwerkbeheerder voor informatie over het IP-adres van de afdrukserver.
Als u een extern subnet wilt doorzoeken op ondersteunde printers, voert u in het vak Zoeken op IP-adres een IP-adres in dat hoort bij dat subnet en geeft u het subnetmasker op in CIDR-notatie, en drukt u op return. Raadpleeg de netwerkbeheerder voor informatie over het IP-adres van de afdrukserver.
Selecteer in de lijst met printers de naam van de printer die u wilt gebruiken.
Klik op Selecteren.